BUVA in Barendrecht en Bouwkennis zetten in een whitepaper de ontwikkelingen van industrieel bouwen op een rij. Van het standaardiseren van de ontwerpopgave in 1900-1945 tot het oplossen van de woningnood in de jaren 1945-1975 en van de jaren ‘80 tot nu. De huidige generatie industriële woningbouw is het voorlopige eindpunt van een lange weg van standaardisatie, technologische vernieuwingen, procesverbetering en digitale innovaties.
Sneller, goedkoper, minder foutgevoelig. Het is geen wonder dat industrieel bouwen door velen wordt gezien als de heilige graal van de woningbouw. De huidige woningnood maakt de weg vrij voor een nieuwe golf industrieel bouwen. Die zou de inrichting van de woningproductie de komende decennia weleens kunnen domineren.
Plug-en-play
In de whitepaper ‘Industrieel bouwen, noodzaak, voorwaarden en toepassingsgebieden’ zet BUVA in samenwerking met onderzoeksbureau Bouwkennis de ontwikkeling van industrieel bouwen (IB) vanaf 1900 tot heden uiteen. Met een woningaandeel van 10 tot 15 procent 123 jaar geleden, ziet BUVA in de vierde golf de industriële bouw doorgroeien van 10 procent marktaandeel nu naar 25 procent (houtbouw, staalskelet en prefab beton) in de komende jaren. Daarbij vormen de kosten, productiesnelheid, flexibele bouw, circulariteit en arbeidstekorten de voornaamste aanjagers.
Op de achtergrond domineert de noodzaak om snel meer huizen te gaan bouwen. IB betekent veranderende rollen voor zowel fabrikant, handel en aannemer als architect en toetreders. De fabrikant zal zijn individuele producten doorontwikkelen tot klik-klak-klaarmodules en via eigen concepten gaan optreden als ontwikkelaar.
Groei
Marktanalist en publicist Marjet Rutten becijfert 9.915 fabriekswoningen in 2022, oftewel een marktaandeel van 13 procent. De verwachting is dat dit aandeel verder groeit richting de 25 procent, ervan uitgaande dat de woningbouwproductie ongeveer gelijk blijft. De Rijksoverheid heeft als beleidsdoel dat in 2030 circa 50 procent van de woningbouw fabrieksmatig is vervaardigd.

